Hi everyone

This is my website. As you can plainly see, it’s not finished yet. More soon. Samples of screenplays, movie reviews and lots of other good stuff.

En dan in het Nederlands: er wordt hard gewerkt aan deze site. Voorlopig kan je genieten van de 14 columns die ik voor de Volkskrant schreef tijdens mijn verblijf in Hollywood in 2010 – 2011. Meer volgt!

 

 

Hollywood aan de Amstel

“Maar je bent toch niet doorgebroken?”
“Nou ja, het zou wel eens wat langer kunnen gaan…”
“Luister, smoesjes verzinnen dat kan iedereen. Je ging toch een filmscript verkopen in Hollywood?”
“Ik heb geleerd dat..”
“Leren? Dat doe je maar op school.”

Al mijn vrienden en familie zijn reuze blij dat ik heelhuids terug in Nederland ben. Reggie the Buick werd verkocht aan een acteur/filmmaker; mijn meubels aan twee Israelische “adult film” producers. Dikke kans dus dat zowel auto en meubels eerder in de schijnwerpers staan dan ik zelf.

Ik heb negen maanden in Los Angeles gewoond en aan mijn doorbraak in de filmindustrie gewerkt. Tijd om de balans op te maken: ben ik geslaagd of heb ik gefaald?

In die negen maanden ben ik niet doorgebroken in Hollywood. Naar die maatstaf heb ik gefaald. Toch zit ik niet wenend achter mijn computertje in Mokum. Eerder het omgekeerde: ik ben opgewekt en trots. Lijd ik aan een waan? Dans ik op de springplank boven een gapende afgrond? Hmm, een talent voor beeldspraak, daar zou ik wat mee moeten doen.

De afgelopen periode voelt op geen enkel vlak als een mislukking. Ik heb genoten van het schrijven. Twee duimdikke filmscripts liggen op mijn bureau. Aan beide moet nog veel gewerkt worden maar ze zijn in elk geval echt van mij. Ik heb mij in de metropool Los Angeles staande gehouden, vele vrienden gemaakt en mijn “voice” gevonden als schrijver. Mijn vertrouwen dat ik daadwerkelijk een scenario voor film of televisie kan schrijven is rotsvast. Ik heb mijn droom gevolgd en de realisatie daarvan vele stappen dichterbij gebracht. Nooit zal ik hoeven denken: had ik maar… Dat alles is goud waard. Voorlopig helaas alleen metaforisch, klinkende munt moet ik nog horen. Dat is het enige dat mij zorgen baart. Ik wandel namelijk al door de super op zoek naar 35% korting artikelen en drink Euroshopper Cola.

Wat brengt de toekomst? Ik ga op banenjacht want de schoorsteen moet roken. Daarnaast zal ik bij producenten in Nederland en hopelijk daarbuiten mijn ideeën en scripts pitchen. Ik weet zeker dat binnen enkele jaren door mij geschreven werk op beeldbuis of filmdoek verschijnt. De weg naar Hollywood ligt open, al is het voor mij misschien niet in die fysieke plaats. “Hollywood” kan immers ook aan de Amstel liggen, ook dat is de magie van film.

 

Cowboys & Cheerleaders

After working through the night to get his paper done, in order to be able to join Suzanne on spring break, Charles learns that eccentric Prof. Tidesdale isn’t exactly impressed by his academic achievements. In this scene Charles is both encouraged and discouraged to actually go on the LARP, setting up the first act break decision which occurs a bit later.

Hoog plafond of vlierinkje

“What would be your most important piece of advice on writing comedy?”
“If you’re not the kind of person who naturally makes a room laugh, don’t even try it”

Aldus Jim Hertzfeld schrijver van “Meet the Parents”. De klas wordt stil terwijl misantropen, somberaars en chagrijnen zich afvragen of ze ooit iemand aan het lachen hebben gemaakt. Heeft Jim het hier eigenlijk over “talent” in de zin van aanleg? Zo ja, wat is dat dan?

Hollywood is een trekpleister voor allerhande types met creatieve ambities. Vaak zijn ze in Sunbleach, Arizona de beste maar hoe ver brengt dat ze in de gehaktmolen van Sunset Blvd? Ik zag een amateur ukele (!) orkest dat de sterren van de hemel speelt met nummers als “Fuck You” van Ceelo. De kleinste webserie heeft productiewaarden waar de Vara zijn vingers bij aflikt. Is dat allemaal “talent”?

Malcolm Gladwell en anderen zeggen dat uitblinkers in de creatieve of sportieve wereld een ding gemeen hebben: tienduizend uur inzet. Natuurlijke aanleg zou, als het al bestaat, uiterst ondergeschikt zijn aan oefening en discipline. Het valt niet te ontkennen: iemand die tienduizend uur heeft geoefend in het het stapelen van plastic bekers doet dat beter dan iemand die slechts tweeduizend uur heeft geoefend. Maar of inzet het volledige antwoord is?

Ik sprak iemand die in twaalf jaar tijd 24 filmscenario’s heeft geschreven. Geen van alle verfilmd want ze zijn abominabel. Om mij heen volgen mensen cursus na cursus om beter te worden in wat ze ambiëren. De een heeft er profijt van, de ander boekt geen enkele vooruitgang. Daarin ligt het antwoord. Al had ik vanaf mijn 4de fanatiek gevoetbald, ik was nooit Cruyff geworden. Die conclusie verbaast niemand. Maar gaat het over de kunsten dan zou “iedereen kunnen schrijven/schilderen/muziek maken/ etc.”. Helaas is dat simpelweg niet waar. Niet iedereen kan goed opera zingen of mooie gedichten schrijven, net zo min als dat iedereen succesvol registeraccountant kan zijn – waar je dan gek genoeg ook nooit iemand over hoort. “Volg de droom, wordt accountant” folders ben ik althans nog nooit tegengekomen.

Aanleg, ofwel talent, bepaalt je plafond, hoe goed je kunt worden. Als je een droom hebt, zet je er dan volop voor in. Je zult er duizenden uren aan moet besteden voordat je goed bent. Maar wees ook eerlijk: als je er geen talent voor hebt – en daar kom je heus wel achter – wees dan realistisch in wat je ermee wil bereiken.

En nu moet ik weer aan de slag om erachter te komen waar mijn plafond ligt. Of is er in mijn huis slechts sprake van kruipruimte?

Blijf dicht bij jezelf?

“And then they pull off her jumpsuit and beat her”
“Who specifically beats her?”
“The lipstick lesbian sergeant, she’s wearing black gloves”

Een van mijn klasgenoten schrijft een spirituele film over oorlog. Elke keer dat we de hierboven samengevatte scene bespreken zit iedereen met kromme tenen. Het klopt niet met de rest van de film. De hele klas heeft eerst voorzichtig, daarna heftig kritiek geleverd. Er is niets aan te doen: het is iets persoonlijks van de schrijver.

De juf concludeert dat als deze scene voor hem zo cruciaal is, hij de rest van de film moet aanpassen. Als dat geen kinky gevangenisfilm oplevert?

Om een script af te krijgen moet je veel en veel meer verzinnen dan je ooit had kunnen vermoeden. Vroeg of laat ga je zoeken in de donkerste hoekjes van je persoonlijk vliering. En dat is eigenlijk maar goed ook omdat bijna iedereen het beste schrijft over iets dat “eigen” is.

Ik ben daar altijd met een grote boog omheen gelopen. Eigenwijs als ik ben moet ik altijd alles zelf vaststellen voordat ik geloof dat de “kenners” gelijk hebben. Nu heb ik geleerd dat ik, hoezeer ik ook van deze uitdrukking huiver, “dicht bij mezelf moet blijven”.

Dat wil niet zeggen dat ik direct een film ga schrijven over een Nederlandse ex advocaat die zijn geluk gaat zoeken in Hollywood (hoewel, hoor ik daar de telefoon?). Het gaat erom dat de kern van wat de karakters in je film verlangen iets is dat jou persoonlijk aangaat of treft.

Dat giet je desgewenst in de vorm van een ruimte avontuur of een wereld waarin mannen en vrouwen in kleurige pyjama’s de wereld redden. Maar als het niet – daar gaan we weer – “uit jezelf komt” dan wordt het meestal niks.

Hoe ironisch dat deze belangrijke conclusie zo’n afspiegeling is van mijn carriere besluiten van het laaste jaar. Ik heb nu geleerd dat ik dingen moet schrijven die voor mij heel persoonlijk zijn, terwijl ik er qua carriere al veel eerder achter was dat ik werk moet doen waarvoor de motivatie uit mijzelf komt.

Soms leg je een lange weg af om eenvoudige conclusies te trekken. Maar zolang de weg opgeleukt wordt door exploderende planeten, semi naakte gevangen vrouwen en college kids die een western avontuur beleven, is die weg prima te bewandelen.

Nog even “scenarist in Hollywood”

“Hey kerel, jij zat toch in Los Angeles?”
“Nee man, ik ben toch hier?”

Een goede vriend is verbaasd mij als jurylid aan te treffen bij een filmquiz in Amsterdam. Hoogtepunt is dat ten overstaan van de zaal wordt gezegd dat ik een filmscenarist ben die in Hollywood woont. Daar zijn ze wel even stil van. Of zijn het de vier flessen wijn die de jury wegzet?

Inmiddels zit ik weer in het miniscule Burns park aan Beverly Boulevard in de zon te typen. Nog maar tien weken te gaan, tijd zat om door te breken. Toch?

Het welgemeende advies van mijn mentor op de vraag wat we gaan doen om mijn doorbraak te forceren: “je moet nog een script schrijven, en daarna nog een”.

We bespreken daarna uitvoerig mijn scenario. Philip is streng maar niet meedogenloos. Hij vindt het zeker niet zonder belofte maar stelt scherpe kritische vragen die mij duidelijk maken dat aan een verdere “rewrite” geen ontkomen is. Dat is even slikken maar ik neem met een glimlach afscheid. Op weg naar huis trakteer ik mijzelf op twee dubbele cheesburgers en ‘s avonds val ik huilend boven een glas whisky in slaap. Het schrijversleven is behalve onderbetaald en van weinig glitter en glamour voorzien op zulke momenten heel eenzaam.

Al met al heeft het moment van vreugde dat mijn script af was kort geduurd. Er is weer werk aan de winkel. Herschrijven en tegelijk in tien weken een nieuw script schrijven. Dat laatste is een vereiste van de opleiding. Ik heb ga een komedie te schrijven als tweede script. Niet makkelijker maar er valt tenminste wel wat te lachen. Althans dat hoop ik dan.

Ik heb mijn ambities alweer moeten bijstellen. De kans dat ik de komende weken doorbreek lijkt vervlogen. Daar staat tegenover dat ik een veel betere schrijver ben geworden. Als ik nog een script schrijf, dan ben ik weer iets beter. En misschien wel het meest waardevolle – pak de witte gitaar, steek de wierrook aan – ik heb weer een stukje zelfkennis erbij. Ik hou mij hier in elk geval staande, heb vrienden gemaakt en ben daadwerkelijk dagelijks aan de slag als schrijver.

Het zou dus wel eens wat langer zou kunnen duren voordat ik een huis in de Hollywood Hills kan kopen van de filmverkoop. En toch, stiekum, hoop ik dat een wonder geschiedt. Nog vier colums om te zien of dat lukt.

En de oscar gaat naar…

“..the award for best original screenplay goes to….The King’s Speech by David Seidler”
Even later staat David (74) achter het katheder.
“My father always said I’d be a late bloomer”

Ik stoot mijn eigen vader aan en wijs hem op de TV. Vader knikt en mompelt nog iets over taxichauffeurs en scenarioadvies, moeder kijkt hem streng aan. Mijn ouders zijn op bezoek om mij een hart onder de riem en vele porties sushi in de maag te steken. Samen kijken we naar de Oscars, gepresenteerd door het tegelijk stonede en hysterisch presentatieduo. Een vleesgeworden antireclame voor de Amerikaanse farma industrie.

Eerder in de week, op de dag dat mijn boeventronie een artikel in de Volkskrant siert, sta ik zelf even op de rode loper in aanbouw op Hollywood Boulevard. Weet ik alvast hoe de routing is voor volgend jaar. Nou ja, 2013 dan. Ik glimlach voor de denkbeeldige paparazzi.

Er is namelijk reden tot bescheiden vreugde: mijn eerste Amerikaanse script is af. “The Hunted” is de voorlopige titel. Marketeers zullen tzt de echte titel bedenken. Die hebben er immers voor doorgeleerd.

Het moment dat je je script voor het eerst vasthoudt is voor de scenarist de echte première. 99 bladzijden in de correcte opmaak en vorm, bijeengehouden door twee koperen “brads” – splitpennen. Immers, als de vorm ook maar enigszins afwijkt leest geen hond het ding!

De euforie is van korte duur. Ik ben verder gekomen dan 90% van de mensen die een filmscript willen schrijven maar niet zover als de 1% waarvan een script verfilmd wordt. Die realisatie is nog sterker wanneer in de achterbak van de Buick een doos vol scripts ligt.

In mijn klasje is de sfeer lauw. De meeste scenario’s zijn slechts nominaal “af”. De klasgenoten hebben onder de tijdsdruk nogal warrige eindes gebreid aan hun werk. Hier worden wat mensen gearresteerd, daar gaan ze naar rehab of ontsnappen er juist uit. Bij de ander rent iemand met een gebroken enkel een heel strand af. In mijn script gaat vrijwel iedereen dood, dat noem ik pas een einde. Een sequel zal er niet komen.

Over drie weken dient ieder zijn scripts in voor de UCLA scenario wedstrijd. Winnen is een manier om door te breken in The Industry. Doorbreken is het grote doel maar eerst probeer ik het mijzelf te gunnen even trots te zijn op het feit dat ik iets tastbaars heb bereikt: het eerste script is af.

Social Network – unlikable characters

A widely held assumption on successful film is that the lead character of a movie should be likable. However this is not always the case. In both “Catfish” and “The Social Network”, the lead character will doubtless be found unsympathetic by many people. Yet those same people may also find the films quite good. This begs the question of whether a lead character should indeed always be likable?

There are many films, and also TV series, in which the lead character is unsympathetic. The German film “Der Untergang” is a biopic on Adolf Hitler’s final days in Berlin in 1945 – in which Hitler is very much the lead character and in no way sympathetic. In “Gran Torino” Clint Eastwood plays a grumpy bigot. In the hit series Mad Men ad exec Don Draper is a philandering, arrogant man – though he clearly has a lot of charisma. In Entourage, Vince Chance, the nominal lead character is a lazy, dimwitted actor who always lands on his feet and/or atop some gorgeous girl, but perhaps finding him unsympathetic betrays some degree of jealousy on my part!

What compels us to watch the adventures of characters we wouldn’t choose to have a beer with on Friday night? Maybe it is precisely their character flaws that make it an interesting experience, perhaps it is the fact that the film will enlighten us in some way about such unpleasant characters that draws us in. Furthermore, it may be that in such flaws we see our own faults, albeit enlarged. Let’s go back to the two films that were set.

In the documentary Catfish we follow a rather glib and self satisfied young man, Nev Schulman, on a journey of discovery. We see him both mocking and developing genuine feelings for a Facebook family and especially the daughter of that family, Megan. By the end of the film we know that Megan does not exist and that Nev has been bamboozled by a rather sad 40 year old woman. I will confess to a certain amount of pleasure in seeing the smug Schulman so fooled. Especially the scene where Schulman fantasises about taking Megan’s virginity in classic high school jock mode, sets him up nicely for the collapse of the entire fantasy. Perhaps the film might have been more effective if Schulman had been a nicer person. That may have made his initial infatuation more touching, and that might have made the viewer more involved in his shock at the discovery of the fraud. Finally I don’t think that the makers intended us to find Schulman unsympathetic. The whole film reeks of the smugness of Schulman himself, as it is very much a family affair. However, his gentlemanly acceptance of the hoax, and his delicate handling of its perpetrator shows us that he is not really a bad guy, nor are his collaborators. In this he does finally become quite sympathetic.

In The Social Network we see (fictionalised) Facebook founder Mark Zuckerburg bring his great creation to life. But there is a Frankenstein element to both the end product and the way Zuckerberg achieves his goal. For the purposes of this paper, I have a problem. Despite his obvious flaws, I found Zuckerberg quite likable. He reminded me of myself and even more of some of my closest friends – which may reflect poorly on me….But
I understand that most people may find him annoying to the extreme. But his character defects tie in directly to his quest. He lacks basic social skills and wants desperately to fit in. From this stems his mission and he pursues it, although it doesn’t bring the rewards he wants, because he never addresses his true problems but works only on a artificial solution: Facebook. This clear mission and his way of solving it makes enthralling viewing.

He is, through all his quirks and ambition a very interesting character to watch, and we care what happens to him and those around him. The script gives him many sharp, clever comebacks and some really good wisecracks. Furthermore the “good guys” are a truly annoying bunch, from his whimpering co-founder to the over the top prep boy twins.

For those who really find him unpalatable there is the consolation that in the end he is all alone, the man who connected 500 million people has no real friends himself.

So there we have in a nutshell the conclusion of the question of whether a character should be likable. The answer is no. They do not have to be likable in the sense that we would want give them a hug, or invite them to our birthday party. We do, however, have to care what happens to them. This may seem contradictory but it is not. A believable character, equipped with both flaws and (some)redeeming features, with an understandable dilemma or challenge. That should lead us to want to know where his or her story is headed. It does help if some slightly sympathetic lines or actions are slipped in, to give us a glimpse of what could be or could have been. It may be precisely that we want to see arrogance humbled, or unkindness cured. Or just to see that no amount of success can lead to happiness for those who betray their few friends. Or perhaps even that evil simply wins in the end, as the Coen brothers wanted us to conclude in “No Country for Old Men”. Redemption is not even a necessity – solid believable character and a clear quest should suffice – and that is hard enough.